Het Zaans Rietveld (2)

April 2019 – Als vervolg op de eerste aflevering hierbij nog een kleine historische uitweiding over het Zaans Rietveld aan de hand van een rondwandeling (3 km).

Komend vanuit het vaardorp leg ik mijn boot aan op het kruispunt Rietveldse Vaart/ Rietveldse pad/Compierekade. Ik steek de Compierekade over en loop het Rietveldsepad op, richting Alphen.

Na 1530 toen het Zaans Rietveld bemalen werd, begonnen boeren zich hier te vestigen. Via de Compierekade als toegangsweg trokken zij het drassige gebied in, vestigden er boerderijen en legden een pad aan, dat uiteindelijk het Rietveldsepad ging heten.

Rietveldsepad

Keurig langs dit pad staan de boerderijen en dagloners woningen. Dat zal oorspronkelijk anders geweest zijn. Want ook al stammen verschillende woningen nog uit de 19e eeuw, toch hebben zij al enkele voorgangers gehad. Stukje bij beetje is deze polder gemodelleerd tot wat zij nu is. Ook in deze polder ging het vervoer aanvankelijk nog vaak over water; lang niet alle stukken waren toen al over land bereikbaar. Dat is nu anders; veel vaarwater van toen is versmald of verdwenen.

Bedelaarsbos

Halverwege het Rietveldse pad heb je een smal fietspad naar rechts (vanuit Alphen: links). Dit is het Bedelaarsbos, het gebied waar in de 17e en 18e eeuw zwervers en bedelaars in Alphen naar verbannen werden. Ook de zonderlinge Heremiet (zie in de linkerkolom van de website)  had hier rond het jaar 1700 zijn hutje. Wandelend door dit voormalige Bedelaarsbos, nu niet veel meer dan een houtkade, stuit je aan het eind op de spoorlijn. Hier ga je met een bocht onder het hoge spoorbruggetje door via een houten steiger boven het water. Aan de andere kant van de spoorlijn, op 50 meter, stond de molen die het Zaans Rietveld droog hield.

Molen Zaans Rietveld; in 1908 verdwenen. De woning staat er nog.

Die molen is er niet meer, maar de molenaarswoning staat er nog steeds. De huidige bewoner van dit oude huisje kan je vertellen dat “de laatste Schellingerhout zo’n 50 jaar geleden vertrokken is”. Het was de familie Schellingerhout die sinds mensenheugenis de molen en het bijbehorende sluisje bediende.

De molen van het Zaans Rietveld dateerde uit 1530. Hij stuwde het water uit deze polder via de 500 m lange Voortvliet de Gouwe in. In 1634 werd de molen geheel vernieuwd; vanaf dat moment stond er een wipwatermolen met scheprad. Tegelijk werd bij de molen ook een verlaat (sluis) aangelegd, zodat scheepvaart tussen de Gouwe en het Zaans Rietveld mogelijk was.

De molen werd daarna nog enkele malen gerenoveerd totdat hij in 1908 werd afgebroken. De bemaling van het Zaans Rietveld was op dat moment al overgenomen door het stoomgemaal van de polder Kerk en Zanen.

De sluis bleef langer in functie, omdat de boerderijen het vervoer over water nog niet konden missen. In 1941 werd de sluis uiteindelijk verwijderd; de Voortvliet werd bij de Gouwe afgedamd. Vanaf 1943 werd deze toegang naar het Zaans Rietveld geheel weggegraven door de Nederlandse Heidemaatschappij, een werk dat pas in de jaren 50 werd voltooid. Als je vanaf de voormalige molen naar de Gouwe wandelt, loop je dus nu over de bodem van de voormalige Voortvliet.

Maar dat doe ik niet. Ik ga weer terug onder het spoorbruggetje door, waar dus in het verleden de scheepvaart onderdoor ging van en naar het Zaans Rietveld. Vervolgens ga ik linksaf en loop ik evenwijdig met de spoorlijn tussen de struiken door. Daarna buigt het pad van de spoorlijn af en ga ik een dijkje op: de Spijkerboorse Kade, de eeuwenoude grens tussen de Boskoopse Nesse polder en het Zaans Rietveld. Rechts van de kade ligt de Spijkerboorse wetering, destijds een vaarweg. Over deze wetering kijk ik uit op de graslanden van het Zaans Rietveld met op de kop hier en daar geriefbosjes. Aan de linkerzijde bestaat de kade uit een houtwal, die de scheiding vormt met de Boskoopse boomkwekerijen. De Spijkerboorse kade is een mooi strookje natuur dat wordt onderhouden door het Zuidhollands Landschap. Ik loop het graspad af tot aan de Compierekade en ga hier rechtsaf. Het eerste stukje van deze voormalige kade is sinds ruim een halve eeuw een ontsluitingsweg voor de Hazerswoudse sierteelt, waarvan we hier ter linkerzijde vooral de kassen zien. Daarna gaat de Compierekade over in een fietspad. Als ik het kassengebied voorbij ben komt ‘het Groene Hartgevoel’ weer terug. Het is nog een paar honderd meter lopen tot aan mijn boot.

Spijkerboorse kade en wetering

In de komende maanden gaat de website www.vaardorphetrietveld.nl weer op de zomerstand. Dat wil zeggen dat er alleen foto’s – oud en nieuw – worden geplaatst. Met ingang van oktober komen de verhalen weer.  

 

De schipper

Maart 2019 – Een belangrijke schakel in de logistiek van het vaardorp was de schipper. Bij de schipper werd het wintervoer besteld voor het vee, het grind voor op het erf of het zand voor op de grasstaal. Later, toen de boomkwekerijen kwamen, baggerde de schipper de sloten uit en zorgde hij zo voor vruchtbare grond. Of hij maakte beschoeiingen. Dat laatste doet hij ook voor de nieuwe bewoners van het Rietveld. Hij helpt hen soms met verhuizen of voert materialen af of aan.                                                                                                    

In gesprek met Bert Oostdam:  Verschillende schippers waren in het verleden actief in het Rietveld. De Frankrijker was een schipper, maar ook Slootweg of De Haas. Het enige schippersbedrijf dat overbleef is de firma Oostdam, afkomstig uit Zoeterwoude en varend in het gehele middengebied van Zuid Holland. Bert Oostdam (82) vertelt dat zijn opa het schippersbedrijf was gestart. Zelf is hij in 1957 met varen begonnen, bij zijn vader. Zeven jaar geleden is hij gestopt met werken. Zoon Wim en schoonzoon Paul, de vierde generatie, zetten het bedrijf nu voort.

“Bij de Rietveldse boeren hadden we elk jaar flink werk als het wintervoer geleverd moest worden. Je moet dan denken aan pulp, borstel, bollen of moes. Soms haalden we het bij de fabriek, zoals de pulp waarvoor we naar Halfweg moesten. Maar meestal lieten de boeren het wintervoer met een groot schip komen, dat op de Rijn bleef liggen. Daar schepten wij het met de riek over op onze schuit en brachten het dan bij de boerderijen in het Rietveld. Het uitladen ging met kruiwagens; via de loopplank werd het voer de staal op of de silo ingereden”. Veel zwaar werk dus, maar Bert haalt zijn schouders erover op. “Het was toen eenmaal zo”.

Zelf heeft Bert nooit met de duwstok en het zeil gevaren. Zijn vader en diens broer Hein nog wel. Na de luxe van een motor achter het schip, kwam ook de luxe van het grijpkraantje. Dat was begin jaren 60. “Ik kon de schuit van schipper De Haas overnemen en liet daar een kraan op monteren. Het bleek een goede greep”, aldus Bert. Een van de eerste grote klussen was het ‘inbaggeren’ van de waterleiding in het Rietveld, waardoor de bewoners vanaf 1964 over leidingwater konden beschikken. Maar ook veel boomkwekers lieten het zware baggeren – tot dan toe handmatig met de baggerbeugel – graag over aan Oostdam. Jaren heeft hij zo de vaart en de sloten in het Rietveld uitgebaggerd en de kwekerijen aangevuld met vruchtbare grond. Vandaag de dag gebeurt dat niet meer. Voor zover men nog grond nodig heeft, wordt deze nu over de weg bezorgd.

De baggerschuit doet nog steeds zijn werk, maar vooral elders dan. In zijn huis in de Weipoort laat Bert zien wat een leven van baggeren en graven heeft opgeleverd: een verzameling van oudheidkundige vondsten. In een vitrinekastje staat een reeks stenen pijpenkopjes, allemaal bewerkt. Twee pijpjes stammen van Leidens ontzet (1574), een ander van de kroning van Napoleon (1804). Verschillende oude vaasjes behoren eveneens tot de vondsten evenals een Delftsblauw kopje uit een poppenhuis. Ook erg mooi: een grote oude baardmankruik, gevonden in Boskoop en waarschijnlijk achtergelaten door Duitse seizoenarbeiders die kwamen maaien. Door al deze vondsten is Bert steeds meer geïnteresseerd geraakt in oudheidkunde. Hij is dan ook lid van de Historische vereniging van Zoeterwoude, samen met zijn vrouw Coby. Een mooie hobby voor de oude dag.

 

Het Zaans Rietveld (1)

Aan het eind van de Rietveldse Vaart loopt de Compierekade; loodrecht erop het Rietveldsepad naar Alphen.

Februari 2019 – Vijf eeuwen geleden was het Rietveld een groot moerasachtig gebied tussen het toenmalige Hasarswoude en Alfen. Hoe het met het Hazerswoudse Rietveld liep weten we; het is te lezen op deze website. Maar er is nog een tweede, kleiner Rietveld en dat ligt in Alphen.

In 1521 werd het grote moerassige gebied, het Rietveld gesplitst. Precies op de grens tussen Alphen en Hazerswoude werd een waterkering aangelegd door Rijnland. Een lage dijk vanaf de Hoge Rijndijk tot aan de Otweg in Boskoop, dwars door het Rietveld heen. Deze waterkering  kreeg de naam Compierekade, naar Jacob Coppier, landheer.

Vanaf die tijd had je twee Rietvelden en gingen zich twee polders ontwikkelen, los van elkaar. Men sprak van een “Rietveld, onder Alphen” en een “Rietveld, onder Hazerswoude”. Later werd het Alphens Rietveld steeds vaker het Zaans Rietveld genoemd, waarschijnlijk naar een Zaanse molen die in de naburige polder Kerk en Zanen stond.

Naast de Compierekade in het westen werd de polder Zaans Rietveld begrensd door de Kruiskade in het noorden, de Toegang(se wetering) in het oosten en de Spijkerboorse wetering in het zuiden. Al omstreeks 1530 kreeg dit ‘Rietveld onder Alphen’ een molen en werd de bemaling gestart, ruim 100 jaar voordat dit begon in het Hazerswoudse Rietveld. De komst van de boerderijen liet daarna niet lang op zich wachten. De telling van de woningen in Alphen in het jaar 1632 kwam uit op totaalgetal 132. Daarbij wordt vermeld dat ook de woningen in het Rietveld hieronder vielen. (Aldus de stads- en dorpsbeschrijver van Rijnland, Lieve van Ollefen, in 1796.)

Ook in het Zaanse Rietveld moesten de boeren aanvankelijk veel van hun werk doen over water, omdat de weilanden vaak niet over land bereikbaar waren. Koeien en hooi in de schouw, schippers, het waren aanvankelijk ook hier vertrouwde beelden. Maar deze polder verschilde op een belangrijk punt met het Hazerswoudse Rietveld: zij had een uitweg over land.

Het Rietveldsepad in 1906

Die uitweg was de Compierekade. In de loop van de tijd ontwikkelde zich vanaf die zijde een pad de polder in, waaraan de boerderijen kwamen.Eerst geleidelijk tot aan de rand van deze polder, de Toegangse Wetering. Later, in de 19e eeuw, werd dit pad verlengd tot aan de Rijn in Alphen. Zo kon men ook vanaf de andere kant het Zaans Rietveld in. Om de kosten van deze verlenging te betalen werd lange tijd tol geheven. De naam van het pad in het Zaans Rietveld was aanvankelijk de Nieuwe Dijk (ook wel Alphens Pad). Pas vanaf het begin van de 20e eeuw heet deze weg het Rietveldse Pad.

De toegang via de Compierekade raakte in ongebruik. Hier werd uiteindelijk een fietspad aangelegd.

(In de blog van april volgt nog een tweede aflevering over het Zaans Rietveld)

De meelvaarder

Januari 2019 – Het vee op de Rietveldse boerderijen moest bijgevoerd worden. Gras en hooi alleen zijn immers niet voldoende. Voor de winterperiode werd per schipper veevoer aangevoerd, het wintervoer. Daarbij ging het meestal om (bier)borstel, bollen, (bieten)pulp of (aardappel)moes.                                                                                                            Daarnaast was er het hele jaar door droogvoer nodig. Sommig vee, zoals varkens, was daar zelfs in hoofdzaak op aangewezen. Dit droogvoer in de vorm van meel, korrels of gedroogde pulp werd in zakken aangeleverd door maar liefst 6 verschillende veevoederbedrijven (‘meelboeren’). Zij brachten de zakken meel tot in het Rietveld. De meelvaarder – die functie had je toen in het Rietveld – bracht de zakken vervolgens een paar keer per week naar de boeren.

Meelvaarder Hein van Nierop in 1960

Aan het woord is Martien de Frankrijker (74). Hij had een boerenbedrijf in het Rietveld op nr.5, maar daarnaast was hij een tijd lang meelvaarder. In die functie bezorgde hij de zakken veevoer, die door de meelbedrijven werden aangeleverd, bij de boerderijen over het water. “Er was maar één plek waar de meelwagens tot aan de Rietveldse vaart konden komen. Dat was helemaal aan het eind, bij de Compierekade. Daar, aan het water, hadden we een schuurtje waar zij hun zakken meel afleverden”. Daarna laadde de meelvaarder – die betaald werd door de meelbedrijven – de zakken in zijn schouw en bracht hij deze bij de boeren. Per keer kon de schouw maximaal 5000 kilo vervoeren. “Maar dan moest je wel goed stapelen. Want het is voorgekomen dat de boot omging. Ja, dan had je wel een probleem.”

Het meelvaren was een loodzware klus; de balen meel wogen toen nog 50 kilo per stuk. “Vooral die grote zakken droge pulp waren niet te hanteren. En dan waren er ook nog boeren die deze zakken op zolder wilden hebben.”  Het veevoer werd twee tot drie keer per week naar de boerderijen gevaren. In de winter vaker dan in de zomer, wanneer een groot deel van het vee immers op het land stond. Maar het was in de winter ook nog op een andere manier zwaarder: “Vaak lag er ijs, waar je doorheen moest breken. En als het ijs sterk genoeg was moest je met de grote slee. Die trok je dan met de zakken meel erop over het ijs en soms ook nog door de sneeuw.” Er waren enkele van deze grote sledes in het Rietveld die door bewoners en leveranciers gebruikt werden.

Ook met de slee kon het fout gaan. “Een keer zakte ik samen met Gijs van der Lip – die mij in de winter soms hielp – met twee sledes en de zakken veevoer door het ijs. Maar gelukkig was dat bij de kant, zodat we de zakken nog konden redden.”

Martien de Frankrijker

Begin jaren 70 stopte Martien met meelvaren. Destijds had hij dit werk overgenomen van Hein van Nierop. “Maar toen had ik nog maar 12 melkkoeien en wat varkens en jongvee. Begin jaren zeventig had ik 30 melkkoeien en ging ik – door de nieuwe ligstal – naar 50 stuks. Het melkvaren kon ik er toen niet meer bij hebben, het werd gewoon te druk. Jan van der Lip nam het daarna van mij over.” In 1986 verhuisde Martien met zijn boerderij naar het Spookverlaat in Hazerswoude, waar hij uiteindelijk 80 koeien te melken had.

Vanaf 2006 bouwde hij zijn boerenbedrijf geleidelijk af. Sindsdien noemt hij zich ‘hobbyboer’.

Jeugdherinneringen

Nelly van de Werf in 2010

December 2018 – Op de website komen diverse reacties; een ervan kwam van Nelly van de Werf. In haar jeugd woonde zij op Rietveld 7, vlakbij Klein Giethoorn. Nelly heeft haar jeugdherinneringen op schrift gesteld. Hieronder publiceer ik enkele fragmenten daaruit, die betrekking hebben op het Rietveld.

Waar we woonden                                                              “We waren thuis met 7 kinderen, 5 meisjes en 2 jongens. We woonden buiten het dorp, in het Rietveld. De meeste mensen moesten met een bootje naar de vaste wal om boodschappen te doen of ergens naar toe te fietsen. De fiets namen ze mee in de boot. Wij hadden wel een bootje, maar hoefden niet te roeien om naar de vaste wal te gaan. Gelukkig niet. Wel moesten we met onze roeiboot naar de tuin. Mijn vader had een kwekerij in het Rietveld. Anderen hadden meestal een boerderij en elke boerderij stond op een eigen eilandje of schiereiland. Altijd sloten langs hun landgoed. Achter de boerderijen stond de koeienstal vast aan het huis. Alles onder één dak, als het ware. Vanuit het huis kon je in de stal komen. Na de huiskamer en de keuken had je het achterhuis. Daar werden de melkemmers e.d. schoongemaakt. Ook stond daar een grote waterpomp. Alles werd netjes onderhouden. Op zaterdag werd alles in en om het huis opgeruimd. Het erf werd aangeharkt, want meestal lagen er kiezelstenen om de boerderij.”

Naar school                                                                                                                                                                             “We gingen lopend naar school. Om 8 uur ’s morgens gingen we op stap met broers, zusjes en buurkinderen. Om 9 uur begon de school. Het was een eind lopen. We deden onderweg vaak ondeugende dingen, zoals slootje springen. Piet (broer) ging altijd als eerste het ijs proberen. Na schooltijd opnieuw. Oudere jongens uit de hogere klassen deden dan ook mee en hielpen mij en Ria, mijn vriendin, over de sloot. Het gebeurde wel eens dat onze sokken toch nat werden. Dan deden we thuis het spelletje ‘geen zeil aanraken’. Dus via de vloerkleedjes naar de huiskamer. Zo kon mijn moeder niet zien dat we natte voeten hadden”.

De oorlog                                                                                                                                                                                “Ik ben een week vóór de oorlog geboren.  Toch kan ik mij nog een aantal dingen herinneren; dat zal wel van de laatste 2 jaar zijn. Zo weet ik nog dat een vrouw helemaal uit Den Haag kwam lopen om wat voedsel te vragen. Mijn moeder gaf haar toen een maaltijd. Daarna kreeg zij nog een paar aardappelen mee, die zij in een jutezak deed. Er bleven ook wel mensen slapen. Dat waren onderduikers, bang dat ze naar Duitsland moesten voor dwangarbeid. Zoals ome Jan. Later werd hij toch opgepakt. Toen hij terugkwam uit Duitsland, kwam hij weer bij ons. Mijn zusjes hebben toen leuke vlaggetjes gemaakt en ons huis versierd.                                            Niet alle onderduikers waren aardig. Sommigen probeerden de baas over ons te spelen. Wij deden spelletjes of tafeltennis en daar konden zij niet tegen. Maar mijn moeder nam het dan altijd voor ons op.                              Ook kwamen er Duitse soldaten over het erf. Zij vonden ons mooi met die blonde haren. Mijn moeder zei dat het toch wel moeilijk was, een groot gezin in oorlogstijd. Een van hen trok het zich aan. Hij zei dat hij gestuurd was. We noemden hem toen ‘de goede soldaat’. Maar het gebeurde ook dat er een razzia was. Mijn vader nam dan alle buurmannen mee naar zijn kwekerij, zodat ze zich tussen de coniferen konden verstoppen voor de Duitsers.  Op 5 mei 1945 kwam de bevrijding. Wat was iedereen blij. Er werd volop feest gevierd. We zijn toen met ons bootje naar Hazerswoude dorp gevaren. Daar was het feest. We kregen chocolade, thee en surrogaatkoffie mee naar huis.”

De familie Van de Werf in 1947

De storm van 1953         “Op 31 januari 1953, de vooravond van de watersnood ging mijn vader roeiend met zijn bootje het Rietveld in. Hij ging de boer op om met de toenmalige bewoners te praten en handtekeningen te verzamelen. Dat was voor een weg door het Rietveld. Zijn laatste bezoek was bij de familie Van de Lip, op Rietveld 9. Daar hadden we hem nog heen zien gaan. Op dat moment begon het enorm te stormen, zo erg hadden we het nog nooit meegemaakt. Mijn moeder werd doodsbang en wij ook. Onze angst werd nog erger omdat het donker werd. Tegen deze storm kon niemand opvaren. Wat zou er gebeurd zijn? Uiteindelijk ging bij Van de Lip het buitenlicht aan. We konden zien dat er iemand naar achteren liep. Mijn moeder was gerustgesteld. Dat moest pa zijn; hij ging niet varen maar kwam over land. Uiteindelijk liep hij helemaal naar de Voorweg en via het Pad van Meurs weer terug (plm 2 km). Hij kwam drijfnat thuis.”

Het eerste baantje                                                                                                                                                               “Na 2 jaar Mulo deed ik de Middelbare Handelsavondschool in de avonduren. Ondertussen hielp ik mijn moeder in de huishouding en met kousen stoppen. Mijn eerste baantje kreeg ik bij het Elisabeth ziekenhuis in Leiden. Daar had ik huishoudelijke taken. Van het dorp ging ik met de bus naar Leiden. Als ik in de bus zat zag ik altijd ‘mijn vriendje’ naar zijn werk gaan. We zwaaiden altijd. Ik mocht niet met hem doorgaan, want hij was gereformeerd en ik katholiek. Dat was toen zo. Ik heb het er thuis niet eens over gehad. Mijn zusters waren mijn voorbeeld.                                                                                                                                                                            Ik ging ook vaak bij de overburen helpen als de boerin op bed lag. Ik kookte dan en deed voor korte tijd de huishouding. Toevallig altijd op dezelfde boerderij. Het wisselde daar nogal eens van mensen; zij werkten voor iemand anders van wie de boerderij was. De overbuurman kwam mij dan halen met zijn boot en bracht mij weer thuis. Het was bij hen bekend dat ze naar mij moesten vragen als er iets was met de vrouw. Meestal was het een miskraam en moest de buurvrouw in bed blijven of rustig aan doen. In het ziekenhuis kreeg ik 5 gulden per dag, maar bij de zieke buren heb ik niets verdiend. Dat was ook niet de bedoeling. Je hielp elkaar. Zo assisteerde mijn moeder dokter Meyst als er een bevalling in de buurt moest plaatsvinden. Zij was vroedvrouw, zo heette dat, al was het niet haar beroep. Zij had een mooi wit schort dat zij dan voordeed en vertelde ons later dat er weer een kindje was geboren.”

Na een heel leven, waarin Nelly ook nog een tijdje in Australië heeft gewoond, woont zij momenteel in Amstelveen. Zij heeft 2 dochters.

Foto 1951. Rietveld 7 (links), waar Nelly geboren is. Het was oorspronkelijk het zomerhuis van boerderij Rietveld 5, dat ernaast staat. Deze twee woningen van het vaardorp waren altijd al over land bereikbaar.