In deze blog een gesprek met Cok en Piet Rademaker. De twee broers zijn geboren op de Rietveldse molen en brachten daar een groot deel van hun jeugd door. Daarnaast gaat het gesprek over de verschillende Hazerswoudse molenaars die deel uitmaakten van hun familie.

Het is februari 2026. Ik zit met de broers Piet en Cok Rademaker in het huis van Cok aan de Voorweg in Hazerswoude en we kijken uit op de Rietveldse molen. Daar begon hun leven, want beiden zijn geboren op deze molen. “Ja, we zijn beiden in de bedstee geboren. De molen had toen nog 2 bedsteden, daar is er nu nog een van over”. Oudste broer Wim (1947) was er toen al. Hij is helaas overleden in 2021. Samen met hun ouders, vader Gerrit Rademaker en moeder Coba Schellingerhout woonden de 3 jongens gedurende hun vroege jeugd in bij hun (groot)ouders op de Rietveldse molen. Daarna verhuisde het gezin naar de Gerelaan, waar zusje Ineke het gezin compleet maakte.
Het gezin Rademaker kwam voort uit twee molenaarsfamilies. Moeder Coba was enig kind van molenaar Cees Schellingerhout en zijn vrouw Pietertje; Cees was vanaf 1927 molenaar van de Rietveldse molen. En de echtgenoot van Coba, Gerrit Rademaker was de zoon van een andere molenaar, te weten Willem Rademaker. Willem was molenaar van de Benthuizer bovenmolen en had daarnaast een schildersbedrijf. (De Benthuizer bovenmolen is de afgeknotte stenen molen langs de spoorlijn in Hazerswoude Rijndijk – zie onderaan in deze blog).
Coba en Gerrit trouwden in 1942 en zo raakten twee molenaarsfamilies met elkaar verbonden.


Na hun trouwen trokken Gerrit en Coba in bij hun (schoon)ouders op de Rietveldse molen. Als reeds volleerd molenaar kon Gerrit zijn schoonvader zo regelmatig bijstaan.
Het jonge gezin ging wonen in het (krappe) zomerhuisje naast de molen. Maar als het te koud werd – het zomerhuisje was maar halfsteens – verhuisde het gezin naar de molen. Dat ging zo om en om tot 1953.
In dat jaar verhuisden Gerrit en Coba samen met hun kinderen Wim, Cok en Piet naar de Gerelaan. Daar is dus dochter Ineke geboren.
Hoewel zij vanaf toen in het dorp woonden, waren de drie zoons daar niet vaak te vinden. Zij hadden hun hart verpand aan de Rietveldse molen en aan hun opa. “We zaten er altijd en gingen hem dan meestal helpen. Hij was ook zo’n leuke man, een beetje ondeugend ook. Om rond te kunnen komen had opa een klein boerderijtje bij de molen met 3 tot 5 melkkoeien en nog wat ander vee. De koeien stonden ’s winters in de achterste helft van het zomerhuis, die was ingericht als een stal. Ook stond er toen een hooibarg voor de opslag van het hooi. Ieder jaar hielpen we met hooien op de twee dijken (van de Papenvaart) bij de molen. Ook moest de moestuin bij de sluis worden bijgehouden. En naast dat alles werkte opa ook nog op de boomkwekerij van Pannebakker. Hij was een echte harde werker maar daarnaast was hij ook altijd bereid om mensen te helpen die het moeilijk hadden”.

Toen de jongens wat ouder waren gingen zij nog vaak naar het Rietveld, maar niet alleen om op de molen te zijn, maar ook om wat geld te verdienen. Zij gingen dan melkmonsters nemen van de koeien van boeren die zich hiervoor hadden aangemeld. En dat gebeurde enkele malen per jaar en dan zowel in de late middag als van de ochtendmelk. ”Wij deden van elke koe een schepje melk in een flesje. Van deze monsters werden in de loop van de ochtend, o.a. het eiwit- en vetgehalte bepaald. Dat gebeurde in het dorp; de resultaten gingen naar de melkfabriek”.


Foto’s: Cees Schellingerhout, 41 jaar molenaar van de Rietveldse molen. Vanwege zijn 40 jarig jubileum als molenaar – in 1967 – was er feest in het Rietveld. Voor de molen (in de vreugdestand) staat de familie, v.l.n.r. Piet en Cok, de ouders Gerrit en Jacoba, oma Geertje (2e vrouw van Cees), opa Cees, voor hen staat Ineke en tenslotte Wim.
In 1968 verloor de Rietveldse molen zijn maalfunctie definitief aan het dieselgemaal van het Hoogheemraadschap, dat gebouwd was aan de Rijn bij Alphen. Dit gemaal had een maalfunctie voor zowel de Rietveldse als de Hoornse polder (tegenwoordig samen de Riethoornse polder). Opa Cees had het gemaal nog korte tijd kunnen bedienen totdat hij uiteindelijk kwam te overlijden. ”In het harnas”, zo werd gezegd.
Bij zijn schoonzoon Gerrit Rademaker, vader van Cok en Piet, liep het leven anders. Hij koos uiteindelijk niet voor het molenaarsberoep. Hij vond dat het ‘te weinig gaf, terwijl je er toch heel hard voor moet werken’. Hij werd, evenals zijn vader Willem, schilder van beroep maar was daarnaast in zijn vrije tijd vaak werkzaam in zijn grote hobby, het bedienen van molens. Hij deed dit op verschillende molens in Hazerswoude; op het laatst was hij vooral werkzaam bij molen de Rode Wip.

Gerrit had ook nog een broer, Wim Rademaker, die eveneens molenaar werd. Hij trad in 1981 in dienst bij de gemeente Hazerswoude als bode en tevens molenaar van de gemeentelijke Rijnenburger molen. Hij ging wonen in de molenwoning naast de molen. De Rijnenburger molen in de Rijndijk werd in 2013 ondergebracht bij een eigen stichting. De bijbehorende woning werd gerestaureerd en wordt tegenwoordig verhuurd als vakantiewoning onder de naam ‘De vijfde wiek’. Een dochter van Wim, Tineke is nog steeds als vrijwilligster actief. Zij verzorgt rondleidingen in deze Rijnenburger molen.
En de drie zoons van Gerrit: Wim, Cok en Piet, hebben zij ooit overwogen om molenaar te worden? Piet: “Ik heb het in mijn jonge jaren weleens overwogen en was ook geabonneerd op het blad van de Vereniging De Hollandsche Molen. Maar gezin, studie, voetbal en de huttenbouw slokte al mijn vrije tijd op zodat het er nooit van gekomen is. Mijn broers hebben volgens mij nooit de ambitie gehad om molenaar te worden. We hebben wel allemaal, zoals we in de familie vaak zeiden, een tik van de malle molen gehad.”
De Benthuizer (boven)molen.
Deze stenen molen langs de spoorlijn in de Hoge Rijndijk is gebouwd in 1929 en was ter vervanging van een houten achtkanten molen met bovenbouw. Deze laatste molen, gebouwd rond 1765, was afgebrand op 31 juli 1928 omdat hij was geraakt door vonken van een passerende locomotief. De Benthuizer (boven)molen was onderdeel van een viergang maar stond op 3 km afstand van de andere molens; gezamenlijk hielden de molens de polders Benthuizer Noord- en Zuidpolder, alsmede de Benthornerpolder droog.
Willem Rademaker was de laatste molenaar op de bovenmolen. In 1960 werd een sloopvergunning afgegeven omdat deze molen op dat moment geen maalfunctie meer had. Dat was het gevolg van de opkomst van elektrische bemaling in deze polders. De kap en wieken werden eraf gesloopt, maar de woonfunctie bleef. Van de Benthuizer bovenmolen langs het spoor is dus alleen nog de stenen romp over.







